Het bijltje erbij neerleggen…

Ik sla de bijl in het grote hakblok en… ik sla mis. Het voelt knullig, onhandig en zwaar, maar ik wil het kunnen. Het lijkt een onmogelijke, gevaarlijke taak en ik blijf mis slaan. Iedere keer, zodra ik mijn handen om de steel van de bijl vouw, voel ik mijn armen branden. Ze zijn slap, het zijn moderne spaghettisliertjes geworden. Mijn handen willen wel werken, maar mijn armen zijn niets gewend. Terwijl mijn nagels gebroken zijn en de aarde aan mijn handen kleeft, zit er onder mijn nagels het bodemleven van dat zand. Een laagje ‘vuil’ aan verschillende tijdperken wat ik onbewust met mij meedraag. Op mijn handen zit wat eelt van het leven op het land en bij de paarden. Ik vervloek mijn armen, ze zijn nooit sterk geweest… Tekst gaat onder de foto verder…

Fotografie: Petra van Went. Oefenen…

…De man doet het voor. Zijn handen zijn ruw en versleten, maar ze vertellen het verhaal van een harde werker. Hij ademt het bos. Met souplesse en het ritme van een ‘ja-knikker’ landt de bijl precies in het midden van het stuk hout en kust het hout. De geliefde zwicht voor de kus van het scherpe staal en breekt met een zachte krak in twee perfecte helften. Je bent een echte man als je hout hakken kan, bedenk ik mij terwijl ik de stammetjes die om het houtblok heen liggen verzamel. Zo geef ik mijn spaghetti armen alsnog de training die ze verdienen. Ik omarm het hout en hoor hoe om de paar seconde de bijl met een doffe klap op het hout terecht komt. In druip af en leg me erbij neer. Laat de man maar werken. Hij kan het honderd keer voordoen, ik kijk met plezier toe. Voorlopig blijft de grote bijl een onbereikbare vriend. Na een half uur hakken verdwijnt de man richting het bos en ben ik weer alleen.

Met mijn kleine Gränsfors Bruk kloofbijltje zoek ik een kleiner hakblok op en begin met kloven. Hiervoor gebruik ik een gekloofd stuk eik. Het bijltje zet ik in het midden van het stammetje en met een stuk eiken rondhout in mijn andere hand geef ik een paar klappen op de oog van de bijl. Al snel raak ik in een meditatief ritme. Hoewel het nog niet zonder slag of stoot vergaat, gaat er bij ieder gekloofd stuk een klein beetje dopamine door het lijf. Na iedere drie klappen heb ik weer een stuk hout door het midden. Na een poos lukt het soms zelfs in twee keer. Voor de aanmaakhoutjes kies ik droog dennenhout wat al een poos naast het huis ligt te vergaan. Het schors is vochtig, maar de kern van het hout is kurkdroog en zwicht zonder moeite voor de scherpe snede van de bijl. Het ruikt heerlijk en in sommige stukken zit fatwood verborgen. Dat fikt goed!

Kloven…

Het is een écht vrouwenbijltje, makkelijk in de hand, klein van formaat en stevig gesmeden voor het harde werk. Ik begon met een te grote stap, maar om een houthakkersvrouw te zijn hoef je niet te kunnen hakken. Zolang je maar op hout kunt koken. Zo geeft de bijl mij een wijze les vandaag, wie het kleine niet eert… Met plezier hak ik de tijd in mijn hoofd weg. In de regen stromen mijn gedachten. Ik ben niet gebonden aan de tikkende klok van de maatschappij, zolang ik het vuur maar voor het donker aankrijg zodat ik de Billy erboven kan hangen. Ik zaag en kloof. Zaag en kloof. Het is een heerlijk ritme en ik ga door tot het laatste blok beukenhout gekloofd is en mijn armen verzuren. Er is niemand die in mijn oor staat te blèren, zoals bij het groepje moderne mensen die bij de beek een vermoeiende sportactiviteit uitvoeren. De stem van de coach galmt door het rustige bos. Er is niemand die mij op de vingers kijkt, geen man die zegt hoe deze vrouw het moet doen. Niemand die iets van mij verwacht, maar ik verwacht des te meer van mijzelf.

Gelukkig vind ik de kracht mijzelf te belonen, ik kan dan wel geen grote bijl hanteren, maar naast mij ligt een keurige stapel geloofde blokken. Ik vul de rieten mand en draag ze naar de houtkachel. Daarna maak ik bij de vuurpit buiten drie stapeltjes. Één met twijgjes van de berk en douglas. Één met de smalle aanmaak houtjes van droog dennenhout en de laatste stapel bevat grove halve blokken beukenhout. Al die tijd heeft mijn hoofd nergens aan gedacht. Mijn hersenen hebben de rust gekregen die ze verdienen. Het lijf is moe, maar voldaan. In alle rust begin ik aan de bouw van mijn vuurtje, maar door de harde wind valt het niet mee. Als ik dezelfde handelingen in een groep moest uitvoeren, zouden mijn handen zweten, mijn hart kloppen en mijn hoofd zich vullen met een onzeker stemmetje van menneer Kanik Niet. Maar alleen, in stilte met het bos weet ik na enkele mislukte pogingen opnieuw te beginnen. Angst is een emotie, en door het te omarmen word ik mijzelf even de baas. De olie in de berkentwijgen brandt goed. Binnen een half uur heb ik een stevig vuur gemaakt en hangt de Billy erboven.

Ik heb mijzelf gevoed, zonder ook maar één hap voedsel tot mij te nemen. Ik maak de bijl schoon, stop hem in zijn foedraal en voel een walm van trots. We zijn vrienden. Vrienden voeden elkaar, zonder woorden, maar geven elkaar wijze lessen. Fotografie: Petra van Went op een andere dag dan het verhaal zich afspeelt.

scroll nog even verder…

Ik kijk toe, na het harde werk. Hoe mijn vuurtje fikt en het eten pruttelt.

Het verdwenen schedel, de kop van het jonge zwijn vond ik na een jaar terug vlakbij het huis…

P.S Weet je nog? Vorig jaar? Dat we de dood van een jong wild zwijn volgde met een wildcamera?

Precies een jaar later heb ik het schedel terug gevonden. Alleen het schedel. Waarschijnlijk dus toch die vos… Wie de dader was zullen we nooit weten. Nieuwsgierig naar de verhalen van de dood? Terug lezen kan hier.

Deel 1. Raaf, de troubadour…

Deel 2: de dood na 29 dagen…

Deel 3. CSI in de natuur. Het lijk is verdwenen…

 

Heb jij opmerkingen? Inspiratie of wil je wat delen? Laat een reactie achter onder dit bericht…

Geef een reactie

Deze site gebruikt Akismet om spam te verminderen. Bekijk hoe je reactie-gegevens worden verwerkt.